Op de elfde van de elfde om elf over elf
worden elk jaar de lijnen uitgezet voor
het grote feest van carnaval.
Elf kiest de Prins die één zotte nacht
de sleutel van de stad mag dragen om
het slot van de tijd even uit
zijn dagelijksheid te lichten.
Carne levare: een samenspel van gewijde en
zotte elementen die hun hoogtepunt vieren
de avond voor de tocht door de woestijn.
Gulzig genieten van al wat even niet kan,
niet mag tijdens de veertig dagen carne
levare, ooit meer dan een verhaal.
Samen de sneeuwpop verbranden zoals de beer
die uit zijn winterhol kruipt en Blasius of
Tielebuis die met een luide scheet het begin
van de nieuwe lente blaast.
De winterboom en de lenteboom,
de boom van groot en klein,
de boom die telkens wederkeert
met bloesems en vruchten
na de tijd van carne levare.
Fanfares, harmonieën, dansmariekes en zustersteden
in de straten, gemaskerd en verkleed twee weken
voor de verrijzenis van het vlees.
De stad is weer stad, een plaats waar mensen
met elkaar praten en lachen, waar uitbundigheid
en spot bevrijdend werken en de schalen
elkaar in evenwicht houden.